De  wereld van Fleur Brouwer (4)

 

 

 

 

Het einde van de man

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Meestal voel je eind februari de komst van het voorjaar alleen maar als je, met je knieën tegen de verwarming gedrukt, buiten de zon ziet schijnen. Maar op deze dag was het werkelijk aangenaam zacht, constateerde ik toen ik de hond van vriendin M. ging uitlaten.

In het park zocht ik mijn favoriete bankje op. Er zat een oude dame, dik ingepakt in een wat versleten namaakbontjas. Naast haar stond een rollator die niet blauw was maar knalroze. Op haar schoot lag een tijdschrift, met een grote loep er bovenop. Terwijl ik naast haar ging zitten, verloste ik Roberto van de lijn. Ze ging er meteen als een speer vandoor. Ik hoopte dat ze zich zou gedragen, zoals dat heet. Dit merk hond gaat namelijk wel eens wat al te enthousiast af op kleine kinderen of oude mensen. Vaker dan me lief is, voel ik me genoodzaakt mijn indrukwekkend lage stem te verheffen en ‘Roberto! Kóm híer!’ te brullen. Het slachtoffer van haar temperament schreeuw ik meestal ook nog zoiets toe als: ‘ze doet niks hoor’.  Dat iedereen in het park zo kan horen dat de teef een jongensnaam heeft (grapje van M.) en dat haar vermeende bazin – ik dus - een mannenstem bezit (grapje van god), ach, dat is nog tot daaraan toe. Maar dat ik moet blaffen als de eerste de beste compagniescommandant, dat vind ik pas echt akelig.

 

‘Zo mevrouw, die hond van ú kan rennen!’, klonk het bewonderend naast me.

Dat wordt luisteren en knikken, dacht ik meteen. En hummen. Maar het liep anders dan ik dacht. Eerst vroeg ze nog geheel volgens verwachting hoe de hond heette. Een beetje kortaf zei ik: ‘Ze heet Roberto’.

De vrouw lachte. Het was een bejaard hinniklachje. Ze trok zich niks van mijn geringe toeschietelijkheid aan en vertelde me dat ze na haar heupoperatie voor het eerst weer naar buiten kon. ‘Lekker met een tijdschrift in de zon! De stevige kost lees ik toch het liefst buiten. Ik krijg de Groene Amsterdammer altijd van mijn bovenbuurman. Kijk hier.’

Ze had het blad opengeslagen liggen bij een artikel met de wonderlijke kop ‘Het einde van de man’. Ik las de lead: ‘Uit twee wetenschappelijke boeken over de evolutie van seks kunnen we opmaken dat de man zijn langste tijd heeft gehad en wellicht uitsterft’.

Ik keek haar vragend aan.

‘Ja mevrouw’, zei ze, ‘geslachtschromosomen heb je, dat weet u natuurlijk, in twee vormen: X en Y. Hier hebben ze het over de Y-chromosomen, die dus alleen bij mannen voorkomen en in feite gekloond worden van vader op zoon. Y-chromosomen hebben een hele tijd alleen in mannen gewoond. In tegenstelling tot de X-chromosomen, want dat zijn steeds mengsels van de chromosomen van moeder en vader.’ Ze pauzeerde even. ‘Interesseert het u eigenlijk?’, vroeg ze toen.

Ik lachte. ‘Het interesseert me bovenmatig.’

Ze fronste. ‘Lacht u daarom?’

‘Ik lach omdat ik me vanwege mijzelf nogal bezig hou met gender. Ik zit een beetje afwijkend in elkaar.’

Ze liet niet blijken of ze begreep wat ik bedoelde. ‘Ach, wie zit er niet afwijkend in elkaar’, zei ze alleen. ‘Nu goed, en nou is er ontdekt dat het Y-chromosoon... Wacht even hoor...’ Ze pakte het tijdschrift en keek door de loep. ‘Het Y-chromosoon was 100 miljoen jaar geleden even groot als het X-chromosoom. Hoe ze dat ontdekt hebben staat er niet bij. Enfin, elk had ongeveer duizend genen. En heden ten dage heeft het Y-chromosoom er nog maar vijftig. Nog maar vijftig! Dus...’ Ze keek nu weer naar mij. ‘Dus als het in dit tempo doorgaat, verdwijnt het Y-chromosoom in tien miljoen jaar.’

‘Wat een idee!’, zei ik. Ik begon haar leuk te vinden. We keken een tijdje zwijgend naar Roberto, die even verderop net uit een modderige sloot kwam.

‘Die is volgens mij een beetje vies’, zei mijn buurvrouw. ‘Of zie ik dat nou niet goed?’ En terwijl ze over haar in rekverband gestoken knieën wreef, voegde ze er aan toe: ‘Je zou kunnen zeggen dat de mannen steeds minder man worden. En dus worden ze volgens mij eigenlijk steeds meer vrouw.’

‘Ah’, riep ik uit, ‘misschien is het dàt bij mij!’ Ik schrok van mijn eigen openhartigheid. Ik kende het mens niet eens. En zij mij niet.

Ze glimlachte. Al haar rimpels deden mee. ‘Ja,’ zei ze toen. ‘Van u is alleen de stem overgebleven. Misschien bent u een voorbode van wat komen gaat?‘  

 

 

***

 

 

 

Dit verhaal verscheen eerder als column in het Continuüm, een onafhankelijk digitaal tijdschrift over genderdiversiteit (waaronder transgender). Wil je meer van Fleur Brouwer lezen dan de vier verhalen op deze website?  In de rubriek  ‘columns’ op  www.continuum.nl  vind je er in totaal bijna  twintig.

 

***

 

www.hoogtelijnen.nl  -  proza, poëzie, columns  -   contact@hoogtelijnen.nl