|
De paradox van
de barbaar
Uit:
‘Binnenwegen – essays en excursies’
Van de filosoof Ton Lemaire (1941) zijn meerdere boeken in mijn
boekenkast te vinden. Over de waarde der kulturen - een inleiding in de kultuurfilosifie
is van die boeken het oudste. Het verscheen in 1976 en is een erudiet boek
over ‘de kwestie van de verscheidenheid van kulturen tegen de achtergrond
van de relatie van de westerse kultuur tot de rest van de mensheid’. De strekking is volgens Lemaire zelf,
dat ‘terwille van een menswaardige toekomst voor de hele mensheid de
kristelijke, kapitalistische, industriële beschaving zou moeten worden
opgevolgd door een naturalistische, socialistische, post-industriële
kultuur’. Het is een behoorlijk abstract en theoretisch boek, dat ik
indertijd erg waardeerde maar toch nooit helemaal uit heb gelezen.
Ton Lemaire schrijft nog steeds. Maar hoe ànders is zijn werk
geworden, vooral sinds hij – inmiddels alweer een jaar of vijftien geleden
- verhuisde van Nijmegen naar een huisje in Frankrijk. In zijn recenter
werk zijn filosofen of grote maatschappelijke theoriëen soms ver te zoeken.
Zoals in het boek Wandelenderwijs uit 1997. Hier maakt hij ons
bijvoorbeeld deelgenoot van zijn overpeinzingen tijdens een middag aan de
rivier. In het dit voorjaar verschenen Op vleugels van de ziel lijkt
alles bij elkaar te komen. De
wandelaar van de laatste jaren, de beschouwer ‘met open zinnen’, vertelt
met passie over vogels en laat ons tegelijkertijd profiteren van zijn
kennis van oude en nieuwe culturen. Filosofen en dichters begeleiden hem.
De afgelopen weken herlas ik – met vreugde - delen van zijn werk.
Op deze plaats wil ik het spoor volgen van (een deel van) het essay De
paradox van de barbaar uit 1986, verschenen in het tijdschrift Wijsgerig
Perspectief en twee jaar later opgenomen in Lemaires bundel Binnenwegen
– essays en excursies. Hier
bevindt Lemaire zich middenin de zojuist beschreven ontwikkeling van denken
en werk. Zijn schrijven is toegankelijker geworden, maar de theorie vormt
meestal wel het stevige raamwerk van z’n betoog.
De anderen of wijzelf?
In het essay De paradox van de barbaar gaat Lemaire in op
het etnocentrisme, een bij alle volken bestaande ‘neiging om de eigen leef-
en denkwereld de meest normale en zelfs beste te vinden’. Anderen zijn dan
dus minderwaardig: wilden, heidenen, primitieven. Het meest klassieke
begrip hiervoor is de ‘barbaar’, waarmee de oude Grieken niet-Grieken
aanduidden. Deze niet-Grieken konden niet normaal spreken, d.w.z. ze kenden
geen Grieks, en daarmee werden ze geacht minder rationeel, minder mens te
zijn. Aristoteles noemt deze barbaren in zijn Politica slaven van
nature.
Tijdens de ontdekkingsreizen van de Europeanen in de zestiende eeuw
zagen de veroveraars de verre volken als barbaren, en omgekeerd was het
niet veel anders.
In diezelfde tijd ontstonden er in Europa tegengeluiden. Zo beroept
de Spaanse priester Las Casas zich op de christelijke gedachte van de
gelijkheid van mensen en noemt hij de Spanjaarden zelf vanwege hun
wreedheden barbaren. Wat later stelt de humanist Montaigne dat de
Europeanen in barbaarsheid de Indianen overtreffen. Montaigne is bovendien
overtuigd van de betrekkelijkheid van datgene wat mensen als waar en goed
beschouwen. Maar: ‘ieder noemt barbaarsheid wat niet tot zijn gewoonte
hoort’.
In de twintigste eeuw gaat de Franse antropoloog Lévi-Strauss nog
een stap verder: wanneer we maar voldoende afstand nemen tot onszelf zullen
we, stelt hij vijftig jaar geleden, meer begrip krijgen voor andermans
cultuur en meer oog krijgen voor de eigen ‘barbaarsheid’. Ook hij
signaleert de universele neiging van samenlevingen om de mensheid op te
laten houden bij de grenzen van de eigen groep. Zo gaat dat dus over en
weer. Lévi-Strauss zegt daarom, dat je zelf een barbaar bent als je denkt
dat anderen barbaren zijn. Dat betekent dat er zonder etnocentrisme dus ook
geen barbaren meer bestaan.
Een paradox
Je zou denken dat het verhaal hiermee af is: de antropologie moet
ons bewust maken van etnocentrisme en ons laten zien dat er geen barbaren
bestaan. Maar, stelt Lemaire nu, er is met Lévi-Strauss’ redenering toch
iets raars aan de hand. Krachtens zijn eigen formule blijkt hij namelijk
een barbaar te zijn: ‘hij vindt immers dié houding barbaars die anderen tot
barbaren bestempelt’.
De antropoloog die wil ontsnappen aan deze dreigende tegenspraak,
moet, stelt Lemaire, ofwel relativist worden (dus niet discrimineren tussen
hen die de menselijkheid van allen erkennen en degenen die de eigen groep
hoger achten), ofwel de morele superioriteit toekennen aan diegenen die
‘aan geen enkel lid van de menselijke soort het mens-zijn onthouden’. In
het eerste geval is noch etnocentrisme noch racisme te veroordelen en in
het tweede geval is de antropoloog de eigenlijke niet-barbaar, dus
proto-type van de beschaafde mens.
Lemaire gaat vervolgens in op de tweede positie door de filosoof
Kolakowski ten tonele te voeren. Deze stelt (in 1983), dat de antropologie
berust op het Europese vermogen van zelfkritiek, openheid en onzekerheid.
Maar dan moeten we ook consequent zijn, zegt hij: wanneer we onszelf als
barbaren beschouwen zo lang we onze culturele exclusiviteit beschermen, dus
etnocentrisch zijn, ‘moeten we ook
al diegenen als barbaren beschouwen die net zo gevangen zijn in hun eigen
exclusiviteit, fanatici van een andere traditie’.
Anne Lever
Ton Lemaire: Binnenwegen
– essays en excursies (Ambo, 1988)
Het essay ‘De
paradox van de barbaar’ verscheen eerder in Wijsgerig Perspectief (Jrg 27,
nr. 4.)
¨ 11 mei 2007 ¨
|