hoogtelijnen.nl      digitaal magazine over kunst, natuur, mens en politiek      het woord (2)

 

 

 

over jean jacques rousseau: eigenliefde of zelfrespect

 

   

 

de gedachte (1)  -  anne lever   -  maart 2007

 

 

Artikelenreeks ‘de gedachte’

 

In deze serie artikelen op Hoogtelijnen wordt telkens ingezoomd op een element uit het gedachtengoed van een denker, een organisatie of een beweging.

 

 

Op de hoogte blijven?

 

De e-nieuwsbrief van Hoogtelijnen verschijnt  ± 1 x p. mnd. Mail naar contact@hoogtelijnen.nl en vermeld:

‘aanmelden nieuwsbrief hoogtelijnen’.

 

 

 

 

 

 

Eigenliefde of zelfrespect

 

Uit: ‘Overpeinzingen van een eenzaam wandelaar’

 

 

Begin jaren ‘80 kreeg ik de ‘Overpeinzingen van een eenzaam wandelaar’ van Jean-Jacques Rousseau (1712-1778) voor het eerst in handen. Het was in een tijd dat ik smulde van literaire ‘klassiekers’ en daar hoorde het oeuvre van Rousseau natuurlijk bij – al bestond ook bij mij aanvankelijk het wijdverbreide misverstand dat Rousseau (en ook Voltaire) eerder taaie kost hadden nagelaten dan toegankelijk gedachtengoed.

Dit misverstand was snel uit de weg geruimd. Rousseau nam me, zo kan ik me nog goed herinneren, met zijn gedachten moeiteloos op sleeptouw. Het egodocument – overigens het begin van een genre - bracht me dichtbij het denken en voelen van een man die zich in de laatste jaren van zijn leven volledig wilde afsluiten van een wereld waarin zijns insziens list en bedrog verborgen lagen achter elk gebaar en iedere opmerking. 

Sinds die tijd zal ik het boekje vast nog wel eens uit de kast hebben gehaald, maar het heeft toch vooral stil staan wachten tussen Zola en Voltaire. De afgelopen dagen echter heb ik ‘de wandelaar’ herlezen en ik ben weer onder de indruk. In deze eerste aflevering van ‘de gedachte’ daarom aandacht voor één van de wandelingen van Rousseau.

 

Wandelingen door de geest

 

Rousseau schrijft, geeft hij zelf aan, nu hij oud is alleen nog maar voor zichzelf. Hij zal dus gewoon noteren wat hem te binnen schiet, zonder zich te bekommeren over wie of wat dan ook. Niemand zal dit immers lezen. Uiteindelijk leidt zijn voornemen tot tien hoofdstukken, die hij ‘wandelingen’ noemt al wordt er weinig gelopen: het zijn wandelingen door Rousseaus geest, zoektochten waarvan de afloop niet vooraf vaststaat.

Wel is er soms aandacht voor de natuur – met name in de nogal van de andere hoofdstukken afwijkende vijfde wandeling, waarin hij herinneringen ophaalt aan zijn gelukkige verblijf op het eilandje Saint-Pierre in het meer van Bienne in Zwitserland. Hier ziet Rousseau er voor één keer van af om zijn geest met het fileermes te ontleden; hij beschrijft vooral het eiland en de ‘toestand van geluk’ die het eenvoudige buitenleven hem ooit korte tijd heeft gebracht.

 

Al heeft de ‘Overpeinzingen’ dus het karakter van een logboek, toch draaien de meeste wandelingen van Rousseau wel om één of twee kernen. In de derde wandeling is dat bijvoorbeeld de vraag hoe hij tot zijn eigen opvattingen komt en welke belang hij daaraan vervolgens moet hechten, in de vierde wandeling staan waarheid, leugen en verzinsel centraal. En in de achtste wandeling gaat het over voor-  en tegenspoed, waarbij Rousseau na verloop van tijd zal uitkomen bij de stelling dat eigenliefde ongeluk veroorzaakt. Hieronder staat deze laatste wandeling centraal...

 

Het voordeel van de tegenspoed

 

Het startpunt van de achtste wandeling is het inzicht van Rousseau dat er, terugkijkend op zijn leven, weinig samenhang te bespeuren valt tussen ‘de beschikkingen van zijn lot’ en zijn welbevinden. Verwonderd constateert hij dat hij zich uit tijden van tegenspoed meer ‘tedere, roerende en heerlijke gevoelens’ herinnert dan uit perioden van voorspoed. Hoe is dat mogelijk?

Het pellen van de ui begint.

 

Het eerste wat Rousseau te binnen schiet is, dat hij in tijden van voorspoed werd opgeslokt door het warme bad van de buitenwereld en dat hij zichzelf in zekere zin vergat. Hij was weliswaar gevierd en in schijn gelukkig, maar het werelds tumult verdoofde hem en steeds wilde hij ergens anders zijn dan waar hij was.  ‘Ik herinner mij heel wel’, schrijft hij, ‘dat ik tijdens mijn kortstondige periodes van voorspoed dezelfde eenzame wandelingen die ik heden ten dage zo verrukkelijk vind, saai en vervelend vond’.  Hij merkt op, dat hij in die tijd onrust met zich mee droeg, onrust ontstaan door de ijdele gedachten die hem in gezelschap van anderen hadden beziggehouden.

Nu hij daarentegen oud en uitgekotst is, vindt hij zich helemaal niet ‘de meest ongelukkige aller stervelingen’.

 
De tegenspoed, zo luidt zijn tussentijdse conclusie, dwingt hem terug te keren naar zichzelf. Misschien is dat, schrijft hij er achteraan, wel wat haar voor de meeste mensen zo ondraaglijk maakt. Voor hemzelf echter heeft datgene wat men tegenspoed noemt tot bevrijding geleid. Pas toen het niet langer lukte om zich aan van alles en nog wat buiten hemzelf vast te klampen – zoals aan het oordeel van anderen - en hij op zichzelf was teruggeworpen, hervond hij zijn evenwicht.

 

Woede of wijsheid

 

Rousseau denkt na over de manier waarop hij zich stap voor stap heeft weten los te maken van de ‘oordelen van het publiek’ en dus van (over-)gevoeligheid voor afwijzing.  Hij vraagt zich af waar eigenlijk de basis van dit soort gevoeligheid ligt.

Een dakpan die van het dak valt en je verwondt, stelt hij, kwetst je minder dan een door een kwaadwillige geworpen steen – zelfs als die steen je mist. ‘Bij alle kwaad dat ons overkomt, letten we meer op de intentie dan op het effect’.  Het is, vindt hij, een enorme stap in de goede richting als je je nog slechts door de feitelijke effecten laat raken en niet meer door de intenties. ‘De wijze mens schreeuwt in zijn smart, maar zonder drift en zonder woede.’

 

Al is dit een essentiële stap, voor Rousseau is het niet genoeg. Want, ondervond hij zelf, wanneer je zover bent blijft er toch iets wringen. In datgene wat Rousseau van zijn denkproces opschrijft, zit nu even een sprongetje (en de lezer moet dus maar even meespringen). Hij stelt: als de intenties van mensen niet meer tellen, moet je eigenlijk wel tot de conclusie komen dat je achter alle bijzonderheden van je bestaan geen enkele richting, opzet of morele reden meer moet zoeken. En dat doet pijn. Het verstand wil er misschien nog wel in meegaan, maar het hart protesteert.

 

Zelfrespect of eigenliefde

 

Het nietige persoontje dat je toch eigenlijk bent, wil er niet aan. Dat persoontje is trots en wil door andere mensen beslist niet in de eigenwaarde worden gekrenkt.  Respect ja!

Ach, zegt Rousseau, respect! Weet je waar het dan feitelijk om draait? Het draait om eigenliefde die zich heeft vermómd als zelfrespect.  Maar zelfrespect staat juist helemaal los van de ander, het is de belangrijkste drijfveer van fiere zielen. ‘Belediging, wraak, verongelijking, smaad en onrecht betekenen niets voor degene wiens zelfrespect niet afhankelijk is van het respect dat anderen hem wensen toe te dragen’.

 

Zo moet voor Rousseau dus de conclusie luiden: ‘In welke situatie men zich ook bevindt, slechts de eigenliefde maakt dat wij bij voortduring ongelukkig zijn’.  Staat de eigenliefde buitenspel, dan kun je de meest gevoelige slagen van het kwaad ontwijken, domweg door er niet meer op te letten en je er niet over op te winden. ‘Zaken waarin de echte nood zich doet gevoelen zijn altijd zeldzaam.’

 

Anne Lever   

 

 

Jean-Jacques Rousseau: Overpeinzingen van een eenzaam wandelaar

Uitg. Spectrum, 1981

Oorspronkelijke titel: Les Rêveries du Promeneur solitaire

 

 

¨ 22 maart 2007 ¨

 

 

 

 

 

 

 

 

www.hoogtelijnen.nl  -   beschouwingen & utopieën  -   contact@hoogtelijnen.nl

 

 

 

 

 

</div