|
Eigenliefde
of zelfrespect
Uit:
‘Overpeinzingen van een eenzaam wandelaar’
Begin
jaren ‘80 kreeg ik de ‘Overpeinzingen van een eenzaam wandelaar’ van Jean-Jacques
Rousseau (1712-1778) voor het eerst in handen. Het was in een tijd dat ik
smulde van literaire ‘klassiekers’ en daar hoorde het oeuvre van Rousseau
natuurlijk bij – al bestond ook bij mij aanvankelijk het wijdverbreide
misverstand dat Rousseau (en ook Voltaire) eerder taaie kost hadden
nagelaten dan toegankelijk gedachtengoed.
Dit
misverstand was snel uit de weg geruimd. Rousseau nam me, zo kan ik me nog
goed herinneren, met zijn gedachten moeiteloos op sleeptouw. Het egodocument
– overigens het begin van een genre - bracht me dichtbij het denken en
voelen van een man die zich in de laatste jaren van zijn leven volledig
wilde afsluiten van een wereld waarin zijns insziens list en bedrog
verborgen lagen achter elk gebaar en iedere opmerking.
Sinds
die tijd zal ik het boekje vast nog wel eens uit de kast hebben gehaald,
maar het heeft toch vooral stil staan wachten tussen Zola en Voltaire. De
afgelopen dagen echter heb ik ‘de wandelaar’ herlezen en ik ben weer onder
de indruk. In deze eerste aflevering van ‘de gedachte’ daarom aandacht voor
één van de wandelingen van Rousseau.
Wandelingen door de geest
Rousseau
schrijft, geeft hij zelf aan, nu hij oud is alleen nog maar voor zichzelf. Hij
zal dus gewoon noteren wat hem te binnen schiet, zonder zich te bekommeren
over wie of wat dan ook. Niemand zal dit immers lezen. Uiteindelijk leidt
zijn voornemen tot tien hoofdstukken, die hij ‘wandelingen’ noemt al wordt
er weinig gelopen: het zijn wandelingen door Rousseaus geest, zoektochten
waarvan de afloop niet vooraf vaststaat.
Wel
is er soms aandacht voor de natuur – met name in de nogal van de andere
hoofdstukken afwijkende vijfde wandeling, waarin hij herinneringen ophaalt
aan zijn gelukkige verblijf op het eilandje Saint-Pierre in het meer van
Bienne in Zwitserland. Hier ziet Rousseau er voor één keer van af om zijn
geest met het fileermes te ontleden; hij beschrijft vooral het eiland en de
‘toestand van geluk’ die het eenvoudige buitenleven hem ooit korte tijd
heeft gebracht.
Al heeft de ‘Overpeinzingen’ dus het karakter van een
logboek, toch draaien de meeste wandelingen van Rousseau wel om één of twee
kernen. In de derde wandeling is dat bijvoorbeeld de vraag hoe hij tot zijn
eigen opvattingen komt en welke belang hij daaraan vervolgens moet hechten,
in de vierde wandeling staan waarheid, leugen en verzinsel centraal. En in
de achtste wandeling gaat het over voor-
en tegenspoed, waarbij Rousseau na verloop van tijd zal uitkomen bij
de stelling dat eigenliefde ongeluk veroorzaakt. Hieronder staat deze
laatste wandeling centraal...
Het
voordeel van de tegenspoed
Het startpunt van de achtste wandeling is het inzicht
van Rousseau dat er, terugkijkend op zijn leven, weinig samenhang te bespeuren
valt tussen ‘de beschikkingen van zijn lot’ en zijn welbevinden. Verwonderd
constateert hij dat hij zich uit tijden van tegenspoed meer ‘tedere,
roerende en heerlijke gevoelens’ herinnert dan uit perioden van voorspoed.
Hoe is dat mogelijk?
Het pellen van de ui begint.
Het eerste wat Rousseau te binnen schiet is, dat hij
in tijden van voorspoed werd opgeslokt door het warme bad van de
buitenwereld en dat hij zichzelf in zekere zin vergat. Hij was weliswaar
gevierd en in schijn gelukkig, maar het werelds tumult verdoofde hem en
steeds wilde hij ergens anders zijn dan waar hij was. ‘Ik herinner mij heel wel’, schrijft
hij, ‘dat ik tijdens mijn kortstondige periodes van voorspoed dezelfde
eenzame wandelingen die ik heden ten dage zo verrukkelijk vind, saai en
vervelend vond’. Hij merkt op, dat
hij in die tijd onrust met zich mee droeg, onrust ontstaan door de ijdele
gedachten die hem in gezelschap van anderen hadden beziggehouden.
Nu hij daarentegen oud en uitgekotst is, vindt hij
zich helemaal niet ‘de meest ongelukkige aller stervelingen’.
De tegenspoed, zo luidt zijn tussentijdse conclusie, dwingt hem terug te
keren naar zichzelf. Misschien is dat, schrijft hij er achteraan, wel wat
haar voor de meeste mensen zo ondraaglijk maakt. Voor hemzelf echter heeft
datgene wat men tegenspoed noemt tot bevrijding geleid. Pas toen het niet
langer lukte om zich aan van alles en nog wat buiten hemzelf vast te
klampen – zoals aan het oordeel van anderen - en hij op zichzelf was
teruggeworpen, hervond hij zijn evenwicht.
Woede of
wijsheid
Rousseau denkt na over de manier waarop hij zich stap
voor stap heeft weten los te maken van de ‘oordelen van het publiek’ en dus
van (over-)gevoeligheid voor afwijzing.
Hij vraagt zich af waar eigenlijk de basis van dit soort
gevoeligheid ligt.
Een dakpan die van het dak valt en je verwondt, stelt
hij, kwetst je minder dan een door een kwaadwillige geworpen steen – zelfs
als die steen je mist. ‘Bij alle kwaad dat ons overkomt, letten we meer op de
intentie dan op het effect’. Het
is, vindt hij, een enorme stap in de goede richting als je je nog slechts
door de feitelijke effecten laat raken en niet meer door de intenties. ‘De
wijze mens schreeuwt in zijn smart, maar zonder drift en zonder woede.’
Al is dit een essentiële stap, voor Rousseau is het
niet genoeg. Want, ondervond hij zelf, wanneer je zover bent blijft er toch
iets wringen. In datgene wat Rousseau van zijn denkproces opschrijft, zit
nu even een sprongetje (en de lezer moet dus maar even meespringen). Hij
stelt: als de intenties van mensen niet meer tellen, moet je eigenlijk wel
tot de conclusie komen dat je achter alle bijzonderheden van je bestaan
geen enkele richting, opzet of morele reden meer moet zoeken. En dat doet
pijn. Het verstand wil er misschien nog wel in meegaan, maar het hart
protesteert.
Zelfrespect of eigenliefde
Het nietige persoontje dat je toch eigenlijk bent, wil
er niet aan. Dat persoontje is trots en wil door andere mensen beslist niet
in de eigenwaarde worden gekrenkt.
Respect ja!
Ach, zegt Rousseau, respect! Weet je waar het dan
feitelijk om draait? Het draait om eigenliefde die zich heeft vermómd als
zelfrespect. Maar zelfrespect staat
juist helemaal los van de ander, het is de belangrijkste drijfveer van fiere
zielen. ‘Belediging, wraak, verongelijking, smaad en onrecht betekenen
niets voor degene wiens zelfrespect niet afhankelijk is van het respect dat
anderen hem wensen toe te dragen’.
Zo moet voor Rousseau dus de conclusie luiden: ‘In
welke situatie men zich ook bevindt, slechts de eigenliefde maakt dat wij
bij voortduring ongelukkig zijn’.
Staat de eigenliefde buitenspel, dan kun je de meest gevoelige
slagen van het kwaad ontwijken, domweg door er niet meer op te letten en je
er niet over op te winden. ‘Zaken waarin de echte nood zich doet gevoelen
zijn altijd zeldzaam.’
Anne Lever
Jean-Jacques Rousseau: Overpeinzingen van een
eenzaam wandelaar
Uitg. Spectrum, 1981
Oorspronkelijke titel: Les Rêveries du
Promeneur solitaire
¨ 22 maart 2007 ¨
|