|
Als kind van een jaar of zeven had ik een heel sterke hondewens.
Mijn vader wilde mij daar wel in tegemoet komen en had een keffertje voor
me opgeduikeld, ergens in het heidense deel van ons dorp. Pukkie – of
Pucky, ik kon toen nog niet schrijven – was een ‘vullusbakkerassie’.
Ernstig getraumatiseerd door een verkeersongeluk; de jongens die haar
hadden gered en opgelapt, kregen van mijn vader elk een kwartje, weet ik
nog.
Pukkie was geen makkelijke hond. Erg nerveus. Een gevaar op de
weg: ze hapte nijdig naar de banden van elke auto, dus het mag een wonder
heten, dat ze niet alsnog door overrijden aan haar eind is gekomen. Haar
levenseinde was vele malen triester. Ze werd loops en dat was te ruiken tot
meer dan drie kilometer in de omtrek. Alle reuen van het dorp liepen haar
na en vochten hun pikorde uit ten koste van mijn vaders afrikaantjes en
begonia’s. Pukkie moest weg.
We liepen mijn vader achterna naar de dijk, waarachter zich het
IJsselmeer uitstrekte. Hij was er eerder. Ik zie hem nog staan daar beneden
aan het water, wijdbeens balancerend op de zwerfkeien, op zoek naar stenen
om de zak te verzwaren, waarin hij Pukkie ging verdrinken. Gelukkig hoef ik
niet te beslissen met wie van ons beiden ik meer meelij moet hebben. Mijn
hondje vonden we een paar weken later terug. Opgeblazen als een ballon lag
haar kadaver te drogen in de zon op de beschoeiïng, onder een waas van
vliegen, de tanden ontbloot in een wrange grimas. Haar ogen waren reeds ten
prooi gevallen aan de kauwen.
Ik denk wel eens: het verleden is net een hond. Het kan je met
een schuldig smoel achterna lopen, als een zwervertje dat eindelijk een
baasje denkt te hebben gevonden. Al vloek je nog zo hard, al gooi je met
stenen, al geef je ‘m een rotschop: hij rent even weg met zijn staart
tussen zijn benen, maar komt onherroepelijk terug.
Een mens kan ook het omgekeerde doen. Gekoesterde wrok kan
evenveel houvast bieden als een onwillige, aangelijnde hond. Met zijn
voorpoten gespreid zet hij zich schrap in het grind en je zult het weten,
wie hier de baas is. Vooruitkomen doe je niet meer.
Misschien kun je je herinneringen maar het beste los laten
lopen, erop vertrouwend dat ze je weten te vinden, wanneer ze een aai over
hun droeve kop nodig hebben of een hap van je boterham. Als je dan eens
helemaal alleen in slaap moet vallen, krab je ze even achter de oren, voel
je hun warme vacht tegen je aan, een blijde staart kwispelt langs je
knieën. En als dat hondje dan huilt naar de volle maan, dan mag je best
even mee huilen.
*
Janiek Kistemaker schrijft ook voor het weblog van tijdschrift Lover
en voor webmagazine het Continuum.
Deze column verscheen eerder op haar eigen weblog “Janiek blogt ook wel eens”.
|