|
Eind 2009 verscheen het boek Hoop van wetenschapper en
reclameman Roland van der Vorst. Over datgene wat hoop biedt en over het
verschil tussen hoop in het verleden en nu. Van der Vorst onderscheidt hoop
die gewekt wordt door ‘hoopgevers’ (Obama) en hoop die vanuit jezelf komt.
Bij dat laatste speelt zijns insziens optimisme een grote rol.
Hoop en optimisme zijn in zekere zin een Siamese tweeling:
mensen die hoop hebben zijn optimistisch. En je kunt dit vaak ook wel
omkeren. De Amerikaanse psychologe Suzanne Segerstrom is er trouwens van
overtuigd dat je optimisme kunt aanleren. Zij stelt dat slechts een kwart
van de karaktertrek optimisme/pessimisme is aangeboren.
Nu heb ik altijd de neiging om dat soort percentages
met een korreltje zout te nemen, maar laten we er even vanuit gaan dat het
klopt. Dan ligt die andere driekwart dus niet onomstotelijk vast. Het is -
nu ja - je speelruimte.
Bijna iedereen vindt optimisme een fijne eigenschap. Het is
prettig, nuttig en handig… Net als hoop is optimisme ‘heilzaam’, al worden
optimistische mensen nogal eens met wantrouwen bekeken. Segerstrom stelt
dat optimisme je helpt om dié hulpbronnen aan te boren die je in het leven
nodig hebt: vrienden, tijd, kennis, gezondheid, energie, enz. Optimisten
komen gemakkelijker aan die hulpbronnen dan pessimisten, omdat ze zich
minder snel uit het veld laten slaan door (vermeende) beren op de weg.
Dit lijkt logisch. Maar nu nog even een klein vraagje: hoe word
je eigenlijk een positief denkend en voelend mens? Segerstrom gaat kort
door de bocht: “door te piekeren en je zorgen te maken, leer je jezelf
pessimistisch gedrag aan.” De toegang tot positiviteit zit volgens haar in
“consequent positief gedrag en denken”. Zelfs voor rechtgeaarde
pessimisten.
Helaas, de cirkel wordt niet vanzelf doorbroken.
Telkens als je je zorgen maakt over iets, zul je moeten proberen de koers
die je gedachten en gevoelens gewoonlijk inslaan te verleggen. Soms lijkt
dat meer op geforceerd blij doen dan op iets wat je echt voelt. Maar toch.
Het is een truc die werkt, zo blijkt uit steeds meer onderzoeken. Simpel
gezegd: je hersenen zijn te beïnvloeden (zie ook: Grijze massa en talent). Trek jezelf dus aan
je eigen haren uit het moeras…
Tja. Als je ernstig ziek bent of als ontslag dreigt, dan heb je
nu misschien de neiging om de boodschapper van dit simpele nieuws even een
klapje te geven. Laat ik het daarom snel concreter maken. Hieronder twee
voorbeelden. Het zijn totaal verschillende ‘methoden’ om pessimisme en
negativiteit – laten we zeggen over werk - aan te pakken.
1. Voor een organisatie waar
ontslagen in de lucht hingen, zette ik ooit wat tips op een rij die kunnen
helpen om stress en negativisme een beetje in de hand te houden. Een paar
ervan sluiten goed aan bij dit verhaal over optimisme. Ze zetten aan tot
activiteit:
a. Bepaal welke
ontwikkelingen je kunt beïnvloeden. Probeer hiernaar te handelen (zonder
schade aan te richten). Kom in actie.
b. Bepaal waaraan je niks kunt
veranderen. Probeer jezelf een halt toe te roepen als je lang met die
dingen bezig bent. Zeg: “Klaar!”
c. Voer zowel privé als op
het werk geen gesprekken die alleen gaan over onzekerheid en negatieve
zaken. Praat altijd ook over de kansen (kansjes) en laat anderen meedenken.
d. Zet alle
toekomst-scenario’s die in je opkomen op een rijtje en behandel ze voortaan
volgens de drie principes hierboven.
2. Bij angst of gevaar is bijna ieders neiging
om in actie te komen: te vluchten, te schuilen of te vechten (de aanpak
hierboven sluit daarop aan). In de natuur zijn dat adequate reacties, maar
bij zoiets als ‘dreiging van ontslag’ helpt het soms ook om je gewoon eens
helemaal beroerd te mogen voelen:
Ga ervoor zitten. Alleen. Niet
weglopen. Geen afleiding toestaan. Niet ontsnappen. Niet bellen. Geen tv
kijken. Geen optimistische tips van coaches raadplegen. ‘Gewoon’
stilzitten, je concentreren op je problemen. Desnoods een hele avond lang.
Je ellendig voelen. Bang zijn en in de war. Het zwarte gat zien. Niets
doen, geen plannen maken.
Raadselachtig:
er is een flinke kans dat je je na een paar uur beter voelt. In ‘het
centrum van de angst’ blijk je nog steeds te bestaan, nog steeds te ademen.
Ergens ontstaat een beetje lucht, je voelt een stroompje energie. Dat geeft
hoop. Misschien een basis om ‘er tegenaan te gaan’. *)
Het vinden van een ‘methode’ die goed
bij je past, is een kunst op zich. Maar een plan van aanpak hoeft niet
fantastisch te zijn. Als je maar iets van een methode verzint die bij je
past: zo ga ik dit de komende tijd doen. Want daardoor groeit de hoop dat
je eruit komt. En daarmee ook je wil. Roland van der Vorst zou nu zeggen:
“wie hoopvol is, wil een positievere toekomst”.
*) PS. Bij het tweede voorbeeld moet je verder wel
redelijk stabiel zijn (hoewel het bij mij ooit goed werkte toen ik flink
overspannen was). Bij psychische stoornissen, depressiviteit: niet
proberen, maar hulp zoeken.
*
Anne Lever is socioloog,
publicist en coach/adviseur (website: www.annelever.nl).
De reeks mens
& werk kan – na overleg met Anne (contact@annelever.nl)
kosteloos worden doorgeplaatst op het intranet/extranet van
non-profitorganisaties.
Literatuur
- Roland
van der Vorst: Hoop. Hoe we door de toekomst worden verleid. (Uitg. Nieuw
Amsterdam, 2009)
- Suzanne
C. Segerstrom: Optimisme: hoe optimisten krijgen wat ze willen en wat
pessimisten daarvan kunnen leren. (Uitg. Nieuwezijds, 2007)
Afbeeldingen
Bovenaan
deze pagina, van links naar rechts:
- Suzanne
Segerstrom
- Optimism
Blue – detail wandkleed Anne van den Heuvel (studio-anne)
- Roland
van der Vorst
-
Spiegeling in het Lac Blanc, Pyreneëen – foto Anne Lever (webmagazine hoogtelijnen)
|