|
Niet ver van waar ik woon ligt, ingeklemd
tussen een woonwijk en een industrieterreintje, de begraafplaats Huis
te Vraag. Op een terp, in de hoek van een overgeschoten stukje
zompige veenweide, rusten een paar honderd doden. Nog doder dan dood, zou
ik bijna zeggen, want er wordt al meer dan twintig jaar niemand meer
bijgezet. Het kerkhof zelf is stervende.
In de voormalige aula woont een
kunstenaarsechtpaar, dat paden en zerken in bescherming neemt tegen
woekerende klimop en brutale zaailingen van berk en kastanje. Op een
subtiele manier wordt het voortschrijdend verval niet zozeer een halt
toegeroepen, maar in een staat van aarzeling gebracht. Vergankelijkheid in
slow motion.
Ik kom daar regelmatig, omdat achter het
raam van het wachthuisje bij de ingang van tijd tot tijd een vers gedicht
en verse bloemen prijken, waar ik graag bij stil sta. Op een dag trof ik
daar die ongewone hovenier, met een ouderwetse zeis de walkant maaiend.
Nieuwsgierig als ik ben en verzot op verhalen, knoopte ik met hem een
gesprek aan. Hoewel hij me waarschuwde dat hij erg op zichzelf was en niet
zo open naar andere mensen, duurde het niet lang voor hij mij een
betekenisvol deel van zijn binnenwereld had toevertrouwd. Toevertrouwd, dus
dat ga ik hier niet herhalen.
Wel het volgende kleinood. Hij vertelde
mij dat er onder zijn beschermelingen verscheidene zijn met een bijzondere
levens- of stervensgeschiedenis. Eén ervan was bij leven kassier bij een
bank of wisselloper, zo precies weet ik het niet meer. In ieder geval
bracht zijn werk met zich mee dat hij zich regelmatig met grote sommen
gelds in het verkeer begaf. Op zekere dag fietste hij over het Muntplein,
toen het handvat van zijn geldkoffertje brak. Het koffertje viel op straat
en klapte open. Net op dat moment stak er een gure windvlaag op van over de
Amstel en al het geld wervelde als een hoop herfstbladeren de lucht in.
De man is niet naar zijn baas teruggegaan
om de calamiteit te melden, maar meteen naar zijn eigen huis, waar hij zich
zonder aarzelen heeft verhangen. “Waarom?” vroeg de tuinman van de doden
zich hardop af. “Het gebeurde was in zekere zin een ramp, maar toch: dat
kán de reden niet geweest zijn.” Hij haalde de strekel een paar keer
bedachtzaam langs het blad van zijn zeis, als om de stilte te vullen die
hij nodig had om het zich nog een keer af te vragen: “Dat kán de reden niet
geweest zijn.” Daarop leek hij in gedachten te verzinken, hij sloeg de zeis
weer in het riet en ik wist dat het gesprek ten einde was.
“Dat kán de reden niet geweest zijn.” Ik vermoed dat hij
daar vaak over nadacht.
*
Janiek Kistemaker schrijft ook voor het weblog van tijdschrift Lover
en voor webmagazine het Continuum.
Deze column verscheen eerder op haar eigen weblog “Janiek blogt ook wel eens”.
|