|
Iedere vijf of tien jaar wordt het woord opnieuw uitgevonden: onthaasten.
Meestal wordt het van stal gehaald door een min of meer bekende Nederlander
die aan den lijve ondervindt hoe druk het leven is dat zhij leidt. Rond de
feestdagen van afgelopen winter was het weer raak. In NRC-Handelsblad stond
net voor de kerst een groot artikel over de drukte en de haast van deze
tijd. De westerse mens schijnt zelfs 50% sneller te spreken dan vijftig
jaar geleden. De dag ná kerst schreven liefst twee columnisten van de
Volkskrant over hetzelfde onderwerp.
De kerstperiode is daar natuurlijk
bij uitstek geschikt voor. Niemand lijkt die vakantieweek lang genoeg te vinden.
Voordat je het weet is ie voorbij: ouders, kinderen, supermarkt, koken,
klussen, sale, ‘tijd voor je vrienden’...
En natuurlijk: tot rust
komen, eindelijk even relaxen. Maar hoe moet dat? Als er al quality time
is - dat zijn uurtjes waarin je snel helemaal tot jezelf moet komen - dan
is er een dikke kans dat je verschrikkelijk onrustig bent. Je gaat zitten googelen
en zou je dat op het woord ‘onthaasten’ doen, dan vindt je 215.000
pagina’s. Waarna je verdrinkt in de adviezen en het cursusaanbod.
In de tijd dat ik sociologie studeerde - dat was diep in de
vorige eeuw, in een tijd dat de verbeelding aan de macht zou komen – was
het normaal om stil te staan bij de vraag wat de technologische vooruitgang
en de daarmee gepaard gaande toename van de welvaart zouden betekenen voor
de mens. En een van de dingen die door velen als zeker werd aangenomen was,
dat de vrije tijd zou toenemen. Sterker nog: we zouden - Johan
Huizinga had het begrip in 1938 al geïntroduceerd - evolueren in de
richting van een homo ludens (= spelende mens - 22.800
webpagina’s in het Nederlands). De mechanisering en automatisering zouden
maken dat wijzelf geen dinges meer hoefden uitvoeren. De computers kwamen
eraan en in hun kielzog de robots. Pluk de dag!
Nu, de vrije tijd is natuurlijk
toegenomen als je het vergelijkt met bijvoorbeeld de jaren vijftig. Kijk
maar in de binnenstad van Amsterdam op zaterdag. En op zondag. En kijk maar
op de dijkweggetjes en in de bungalowparken. Hoewel: vrije tijd?
Omdat het niet de bedoeling is dat deze column een essay wordt,
zal ik zwijgen over de glorieuze overwinning van consumentisme, hedonisme
en markt – samen een ijzersterk concept al raakt menigeen buiten adem. En
ook zal ik oude begrippen als ‘de economie van het genoeg’ niet van de
rommelzolder halen. Het enige wat ik in deze 600 woorden wil en kan
inbrengen tegen het eeuwige druk-druk-druk, is een kleine
multiculti-ervaring (multiculti: 124.000 webpagina’s):
Al een half mensenleven lang woon ik in Amsterdam-Zuidoost en ik
reis bijna dagelijks met de metro van en naar het centrum. Ik zie mensen ’s
ochtends half slapend naar hun werk gaan en ‘s middags vermoeid of
verwachtingsvol huiswaarts keren. ‘s Avonds laat zie ik de jongeren
lawaaiierig en flirtend op weg gaan naar de uitgaanscentra.
En af en toe is het geluk
met mij: iemand ziet in de metro een bekende, vraagt hoe het is en de ander
zegt: ‘rústig, jongen’. Hzij zegt niet: ‘tja, oei, druk hè’. Nee, zhij kijkt opgewekt of cool en
zegt: ‘rústig, jongen’. Alles is goed, alles gaat z’n gangetje.
Het afscheid in deze zelfde
sfeer mag er ook zijn: de één gaat uitstappen, de ander moet nog een paar
haltes verder. De afscheidsgroet en tevens welgemeende wens voor de komende
uren bestaat dan uit één woord: ‘rústig’.
*
Anne Lever is naast socioloog
en publicist ook coach/adviseur (website: www.annelever.nl).
De reeks mens & werk kan – na overleg met Anne (contact@annelever.nl) – kosteloos worden doorgeplaatst op het
intranet/extranet van non-profitorganisaties.
|