Unica Zürn, Luce Irigaray, Picasso, moi profound, post-modern ik-besef, Rutger Kopland, normaliteit, Rabindranath Tagore, Omar Khayyam, Kavafis

 

hoogtelijnen.nl      digitaal magazine over kunst, natuur, mens en politiek      het woord

 

Unica Zürn, Luce Irigaray, Picasso, moi profound, post-modern ik-besef, Rutger Kopland, normaliteit, Rabindranath Tagore, Omar Khayyam, Kavafis

 

 

averij & ballestore over ‘kunst’ en ‘waarheid’

 

    

 

brieven over alles  (aflevering 2)   -  februari 2007   -   (nieuwe opmaak: 15 11 08)

 

 

Over Averij en Ballestore

 

Je zou ze zielsverwanten kunnen noemen, al zijn Averij en Ballestore denkers die zich dan meteen af zouden vragen of de mens een ziel heeft en of aan het begrip verwantschap wel enige inhoud kan worden gegeven. Objectief vast te stellen is in elk geval, dat ze elkaar al heel lang kennen en dat de briefwisseling die de komende tijd op hoogtelijnen verschijnt beslist niet de eerste van hun leven is.

Volg het spoor van deze twee aan elkaar gewaagde zoekers en dring stap voor stap door in het (inter-)menselijke oerwoud van waarnemingen, associaties en interpretaties.

 

Red. Hoogtelijnen

 

 

Op de hoogte blijven?

 

De e-nieuwsbrief van Hoogtelijnen

verschijnt  plusminus één keer per maand.

 

Mail naar contact@hoogtelijnen.nl

en vermeld:

‘aanmelden nieuwsbrief hoogtelijnen’.

 

 

 

 

 

 

Beminde Ballestore,

 

Wat begin je je brief van vorige week streng! Maar inderdaad, ik liet me meeslepen door een gejaagd enthousiasme, waardoor ik niet de tijd en ruimte nam om jou eerst eens uit de doeken te doen wat ik denk en zie als ik, bijvoorbeeld, naar Unica Zürn kijk. Herkansing? Ik zag eindeloos herhaalde lijntjes van inkt, waarin dan plots de contouren van ogen, neuzen en gezichten opdoemen, met soms klauwen en nagels en meestal monsterlijk vervormd. Nachtmerries, zag ik, van iemand die achter elke hoek en in elke donkerte gevaren vermoedt. Vooral in de donkerte van haar eigen innerlijke spelonken, maar dat is waarschijnlijk alweer interpretatie – en eentje die is ingegeven door die van Luce Irigaray.

 

Luce Irigaray zegt – maar als ik dit schrijf sla ik haar er niet op na – dat de kunst van Unica Zürn gekwelde kunst is, die niet gaat over schoonheid maar over lelijkheid. Irigaray meent de kunst van Zürn te kunnen lezen als een vrijwel directe afspiegeling van haar psychische (on-)gesteldheid. Toen ik dat las leek het me nogal kort door de bocht, omdat kunst toch altijd ook een esthetisch doel heeft en zich wat dat betreft verhoudt tot andere kunst.  Rondlopend op de tentoonstelling in de Halle St. Pierre kreeg ik echter meer sympathie voor Irigaray’s standpunt. Ik bezag de tekeningen als gemaakt door iemand die bewoond wordt door monsters en angsten. En ik denk inderdaad dat zij een soort haast, of in elk geval een urgentie, had om zichzelf uit te drukken. Het in beeld brengen van haar demonen en angsten hielp misschien wel om ze te bezweren.

 

 

 

            

 

Unica Zürn (l) en Luce Irigaray (r)

 

 

Maar drukte zij daarmee een ‘moi profond’ uit – een dynamisch vitaal élan? Ik weet het niet, en deel je twijfel. Het vitale en vrolijke zie ik toch eerder bij Picasso. Cynisme of ware liefde, vraag jij je af bij zijn zoen. Ik zie vooral speelsheid. Wellicht is er in dit schilderij een licht cynische knipoog naar het amandel-hockey gestuntel van een lange zoen – maar voor mij spat de lichtheid er vanaf: “Wat geeft het, laten we ervan genieten!”. En ook, wellicht: “Laat de tijd maar verstrijken”.

Dat jij je afvraagt of echte liefde cynisch is, of andersom, geeft te denken – daar wil ik het mijne van weten, straks.

 

Ik verbond in mijn gedachten het ‘moi profond’ met mijn opgetogenheid over het zien van kunst, mijn vrolijkheid over kwasi-doelloos rondslenteren en kijken. Ik ontdekte dat er een ander deel van me aangesproken werd dan dat er normaal aangesproken wordt, een deel dat er ook is en dat er ook graag wil zijn en waarvan ik vind dat het bij me hoort. Het ‘moi profond’ leek dat uit te drukken, maar jouw twijfels daarover doen mij ook weer twijfelen – al is mijn twijfel geloof ik een andere.

Mijn twijfel gaat erover dat die diepte van dat zelf in tweede instantie toch een beetje teveel neigt naar een soort claim op authenticiteit of waarheid. Het veronderstelt dat er een onderscheid te maken zou zijn tussen een ‘oppervlakkig’ zelf en een ‘dieper en echter’ zelf – en dat strookt slecht met mijn zeer post-moderne ik-besef, waarbij wat en wie ik ben steeds in directe verhouding staat tot waar en met wie ik ben. Geen echtheid, noch authenticiteit want geen externe referentiekaders om die aan te toetsen. Slechts afspraken, gewoontes en conventies waar je je al dan niet aan kunt houden.

 

In het verlengde daarvan geloof ik eigenlijk ook niet dat je waarheden of schoonheden echt kunt betrappen. Natuurlijk zijn meestal alle kleppen dicht, en die kleppen bestaan voor het grootse deel ook uit afspraken en sociale conventies, uit gewoontes en regels. En inderdaad, waarschijnlijk zijn die dichte kleppen de garantie voor onze ‘normaliteit’.

Tegelijkertijd..: wij beiden weten van onszelf en elkaar dat we eigenlijk – diep van binnen? (toch een moi profond?) – zo gek als een deur zijn. Ons bewustzijn van de kleppen komt toch mede voort uit het feit dat ze niet helemaal goed sluiten, dat ze wrikken en schuren, en soms loslaten?

 

Leve de losse kleppen! Mijn naam is niet voor niets Averij: af en toe moeten de kleppen, en de mechanieken om ze dicht en open te doen, haperen en stotteren, schuren en wrikken, en zelfs moeten ze het zo nu en dan helemaal begeven. De periodes van waanzin die dat oplevert zijn broodnodig ter relativering en ter her-ijking. Dat brengt risico’s met zich mee. MAAR: liever van het balkon springen dan dood sterven – of zoiets, toch?

 

In elk geval wil ik de schijn van hiërarchie die door woorden als ‘moi profond’ wordt opgeroepen ver van me werpen. Ik denk niet dat iets absoluut ‘waarder’ of schoner kan zijn dan iets anders. Wel zou ik graag een pleidooi houden voor ontregeling en voor verwarring. Is dat niet ook wat kunstenaars teweeg brengen? Ze laten je door hun ogen kijken, en verschuiven daarmee je kaders. Ze vragen van je, al is het maar voor even, dat je je op een andere manier tot de wereld en dus tot jezelf verhoudt. Dat bevalt me.

 

En nu wil ik toch nog graag wat meer weten over jouw “liefde of cynisme”. Wat is dat voor een vraag? Vorig weekend las ik in het Volkskrant Magazine een interview met Rutger Kopland, waarin hij het volgende gedichtje aanhaalt (ik pak het exemplaar van de Verzamelde Gedichten uit mijn boekenkast dat ik van jou heb gekregen. Je schreef er niets in!) uit “Een lege plek om te blijven” (XXII):

 

 

 

Ze wacht met oude thee en oude handen,

Ik hou van haar, maar zonder veel

 

dorst en heimwee. Liefde is het einde

van een zachte dag, alleen de rode

 

lucht blijft over, de zon is onder. Ze

wacht en met de schemer komt de kat.

 

Hij duwt zijn koude rug tegen haar handen,

niet om haar, maar om zijn vacht.

 

 

Rutger Kopland

 

 

Is dit wat je bedoelt, vind je dit cynisme? Een berustende genoegzaamheid in plaats van de alles verslindende passie? Of stel je je gewoon DE liefdesvraag, die volgens Rabindranath Tagore als volgt luidt, en die ik nu dus aan jou stel – en die weer een vraag is naar DE waarheid:

 

 

 

Love’s Question

 

 

          And is this all true,

          My ever-loving friend?

That the lighting-flash of the light in my eyes

Makes the clouds in your heart explode and blaze,

          Is this true?

That my sweet lips are red as a blushing new bride,

          My ever-loving friend,

                      Is this true?

 

That a tree of paradise flowers within me,

That my footsteps ring like vines beneath me,

          Is this true?

That the night sheds drops of dew at the sight of me,

That the dawn surrounds me with light from delight in me,

          Is this true?

That the touch of my hot cheek intoxicates the breeze,

          My ever-loving friend,

                      Is this true?

 

That daylight hides in the dark of my hair,

That my arms hold life and death in their power,

          Is this true?

That the earth can be wrapped in the end of my sari,

That my voice makes the world fall silent to hear me,

          Is this true?

That the universe is nothing but me and what loves me,

          My ever loving friend,

                      Is this true?

 

That for me alone your love has been waiting

Through worlds and ages awake and wandering,

          Is this true?

That my voice, eyes, lips have brought you relief,

In a trice, from the cycle of life after life,

          Is this true?

That you read on my soft forehead infinite Truth,

          My ever-loving friend,

                      Is this true?

 

 

Rabindranath Tagore

 

 

Ik wacht je antwoord af en ondertussen verblijf ik,

 

Als altijd, je Averij.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Liefste Averij,

 

Je antwoord ontroert me om vele redenen. Je nodigt me uit met je woorden. Ik klim meteen in mijn pen. Ja, pen want ik antwoord met de snelheid van een geschreven pen en niet die van een toetsenbord. Met een pen kan ik beter nadenken over wat ik ga schrijven dan ik dat kan achter een computer. Het papier is tenslotte geduldig, een computer is dat niet. Ik kan er niets aan doen, dat mijn eerste reactie is om te beginnen met mijn lijfgedicht, het zo pakkende kwatrijn van Omar Khayyam:

 

 

 

Ah love, could thou and I with fate conspire

to grasp this sorry scheme of things entire.

Would not we shatter it to bits and then

Re-mould it nearer to the heart’s desire.

 

 

Omar Khayyam

 

 

Dit is toch blijkbaar telkens het motto van ons heen en weer schrijven, dunkt me eens te meer. Ja we zijn zo gek als een deur. Dat ontroert me. We zijn zo snel weer waar we ooit zijn gebleven met welke briefwisseling of gesprek dan ook. Niet dat we geen stap verder komen, integendeel – en dat ontroert me ook – we zijn bezig met een intrigerende waarheid te maken. Ik schrijf dat zo, omdat je weet dat ik vind dat de waarheid niet bestaat maar voortdurend gemaakt wordt en moet worden door iedereen die zich er mee bezighoudt en dat er vele van bestaan. Gedrochtjes zal ik ze noemen. Zoals de Bedriegertjes bij het Kasteel Rozendaal, die plots water omhoog spuitten als je eroverheen liep.

 

De angsten en monsters van Zürn, de vrolijke kus van Picasso. Zijn het niet beide uitdrukkingen van hun eigen moi profond? Vrolijk of eng is daarmee hetzelfde, gelijkgeschakeld op het vlak van kleppen die wel of niet openklepperen, klemmen, haperen, piepen en kraken, maar wel zo nu en dan breken en opengaan of we willen of niet. Er komen bij een ieder die zich durft uit te drukken en prijs te geven verschillende resultaten uit. Allemaal interessant en het stemt tot nadenken en associëren.

Er moeten momenten zijn geweest dat Zürn erg blij is geweest met een tekening die ze maakte, net zoals Picasso zich ongetwijfeld beroerd moet hebben gevoeld, ja cynisch wellicht, bij een van zijn schilderijen (hij heeft er verschillende gamaakt die Le Baiser – De kus – heetten). We kunnen het er niet meer met hen over hebben, helaas. Het zou leuk geweest zijn. Als een schilder ‘praat’ met zijn of haar schilderijen en een componist praat met haar of zijn muziek, dan is het mogelijk om met hen erover te spreken, te kijken en te luisteren en alle andere hier vergeten zintuigen te gebruiken.

 

We hebben het als mensen onder elkaar dan wellicht in eerste instantie niet over hetzelfde, maar het zou ontzettend leuk zijn om als ‘taal’mensen over andere ‘talen’ te praten. Je schrijft: “mijn vrolijkheid over kwasi-doelloos rondslenteren en kijken”. Wat je in Parijs ervoer.

 

Moeten we juist ook niet proberen om in ons dagelijks werk en leven net zo vrolijk en quasi-doelloos rond te slenteren en te kijken? Ik vind het wel, dat weet je, ook al lukt het mij net zo min. Dat is ook openstaan voor die werkelijkheid van alle dag, waarin ‘kunst’ verstopt zit. Ja, we moeten elke hiërarchie die opgeroepen wordt van ons afwerpen.

Daarom zet ik kunst tussen aanhalingstekens. Kunst is al mooi genoeg. Net zoals duur een tijd aangeeft: duur als een zijnswijze – “dat was de mooiste tijd van mijn leven”, alsook dat duur een aanduiding van geld is, dat wat iets kost. Dit maakt het ook zo’n mooi dubbel intrigerend woord. De vis wordt duur betaald. Je huid duur verkopen? Eerlijkheid duurt het langst. Een schilderij kan erg duur zijn. Dan bedoel ik wat anders dan de 14 miljoen die het heeft opgeleverd op een bizarre veiling ergens. Maar het kunstwerk zelf wordt al heel lang mooi gevonden en dient als voorbeeld en inspiratie voor jonge en oude mensen. Duurzaam, nog zo’n woord.

 

 

 

 

 

 

Maar het lijkt erop alsof ik je vraag over liefde en cynisme ontwijk. Wellicht doe ik dat ook. De titel van Koplands bundel ‘Een lege plek om te blijven’ geeft op die praktische vraag - dat ik niets voorin schreef als opdracht - al bijna een antwoord. Ik meen me dat zelfs te herinneren zo. Een lege plek is zo snel vol immers. Nee het is geen zelfgenoegzaamheid tegenover passie.

 

Wellicht was ik enige tijd cynisch over de liefde omdat – en dan is er weer dat verschil tussen lineaire tijd en het moi profond – het me in de lineaire tijd aan liefde soms ontbrak. Niet voor niets vraagt Tagore ook de hele tijd : Is this true?  Is datgene wat hij omschrijft dan liefde? De liefde voor één persoon? Een verbond tussen twee zielen? Vleselijke liefde?

 

Nee, liefde is veel groter als het passie is. Dat gebeurt als die kleppen opengaan, als angst en vrolijkheid zomaar naar buiten kunnen of komen. Om dat toe te laten, om dat te kunnen, dat is liefde. Mijn Vriend noemt dat ‘als alle schermen afvallen’, als je durft toe te laten, jezelf en anderen. Dat je elkaars geheimen zou kunnen delen maar dat dat niet per sé nodig is.

 

Kleppen die openrammelen en schermen die afvallen, dat is onherroepelijk ontregeling en verwarring. Het enige wat je dan hebt is jezelf en je spontaniteit, je moi profond.  Onze redacteur van Hoogtelijnen vond ons schrijven wat ongedisciplineerd. Zullen we haar voor dat compliment een bloemetje sturen?

 

Dat is zo aardig aan wat je schrijft en me ontroert: er is niets externs waar we wat dan maar ook aan kunnen toetsen, anders dan alleen datgene wat we met elkaar afspreken om aan te toetsen. Daarom is die waarheid ook zo’n mooi en tegelijkertijd afzichtelijk gedrocht, dat ergens in de lucht zweeft voor een bepaalde groep mensen. Er zweven talloze gedrochtjes in de lucht. Alleen zijn sommige in de wereld méér als wáár verordonneerd dan andere - daarom noem ik ze gedrochtjes. Verder mogen ze er wat mij betreft allemaal zijn. Maar ik verfoei de waarheid die als grootste gemene deler wordt verkozen. De waarheid van landen en religies. Dat leidt tot de tirannie van het grootste gedrocht. Dat is waar we elke dag mee geconfronteerd worden en tegen vechten.

 

Ja. Mijn liefde is waar voor mij, maar niet de waarheid. En dat is cynisme. Andere definities van liefde zijn méér waar momenteel, en daarom voor mij cynisch (voor het geloof, het vaderland, bezit, intolerantie). Dat bedoel ik. Nee, breek me mijn klepjes niet open als het gaat om liefde en passie!

Dit is geen cynisme. Ik kan het wel relativeren en dat is jammer, dat is wellicht wel cynisch. Maar in het verlengde daarvan kun je volgens mij waarheden en schoonheden wel degelijk betrappen, want ze zijn puur van jezelf en dat is heerlijk toch? Liefste, je moet je klepjes wel openen. Goed het zal tochten zo nu en dan, het zal ook binnenregenen zo nu en dan, je zult wat averij oplopen zo nu en dan.

 

Mijn naam is niet voor niets Ballestore. Zo’n papieren vouwgordijn lijkt zich netjes op te kunnen vouwen maar de wind kan het gemakkelijk grijpen en scheuren. En het hangt ervan af wie de touwtjes ervan in handen heeft. Jij hebt deels die touwtjes Averij. Jij trekt er soms hard aan en dat is goed. Dan gaat ie even open en kan ik weer naar buiten kijken en zie in de lucht een van die waarheidsgedrochtjes die me voor even weer aantrekkelijk en waar toeschijnt.

 

Misschien lijkt in het volgende gedicht Kaváfis wel eventjes op een tekening van Unica Zürn:

 

 

 

In deze donkere kamers, waar ik zware

dagen doorbreng, loop ik aldoor heen en weer

om de ramen te vinden. – Wanneer een raam

open zal gaan, zal dat een troost zijn.-

Maar de ramen zijn onvindbaar, of ik kan ze

niet vinden. En misschien is ’t beter dat ik ze niet vind.

Misschien zal het licht een volgende marteling zijn.

Wie weet welke nieuwe dingen het zal onthullen.

 

Kaváfis

 

 

Je Ballestore

 

 

 

 

 

 

 

 

www.hoogtelijnen.nl  -   beschouwingen & utopieën  -   contact@hoogtelijnen.nl