|
Voor de
meeste mensen is het duidelijk: je bent vrouw of je bent man. In een
Westerse samenleving als de onze zijn de ideeën over de betekenissen die
aan man- of vrouwzijn moeten worden gehecht, aan voortdurende verandering
onderhevig. Dat er twee ‘soorten’ mensen zijn, namelijk mannen en vrouwen,
blijft echter voor haast iedereen als een paal boven water staan. De enorme
diversiteit in levensstijlen (van vrouwen en mannen), ontstaan sinds in de
jaren zestig en zeventig de vaste rolpatronen op grote schaal ter discussie
werden gesteld en bestreden, heeft aan het geloof in de tweedeling
nauwelijks afbreuk gedaan. Opvattingen als ‘vrouwen komen van Venus en
mannen van Mars’ lijken vele malen invloedrijker dan bijvoorbeeld ideeën
uit post-moderne hoek over ‘gender als constructie’. De grote nadruk van de
laatste jaren op de biologische verschillen tussen man en vrouw, lijkt het
twee-soorten-denken zelfs (weer) te versterken.
Duidelijkheid
in zwart-wit, dat heb je als kind nodig om de wereld te begrijpen. In dit
essay wordt betoogd dat we door het vasthouden aan simpele ordenende
principes in feite kind blijven.
Het sprookje
Stel
dat mensen konden kiezen welke verschijningsvorm ze willen hebben: zachte
rondingen of scherpe trekken, grote borsten en een penis of een platte
borstkas en een vagina… Meer vrouwelijke kenmerken, meer mannelijke
kenmerken, extreem man of vrouw, of juist zeer androgyn. En stel dat mensen
dat niet één keer in hun leven konden doen, maar net zo vaak als ze zelf
wilden. Of nog extremer: stel, ze moesten van kindsaf elke ochtend opnieuw
kiezen, zoals je je kleren kiest voor de nieuwe dag.
Als
dit van vandaag op morgen ineens zo was, in ons land, over de hele wereld,
dan zou de hele samenleving op haar kop staan. Niets, nu ja, bijna niets,
zou meer zijn zoals het was. In een autoritair ingerichte maatschappij
zouden meteen richtlijnen en wetten worden uitgevaardigd waarin wisseling
van sekse strafbaar gesteld wordt, en in de meer liberale samenlevingen zou
grote verwarring heersen en een hevig debat losbarsten..: de vader van die
meisjes is de moeder van een stel jongens! Of niet? De premier was gisteren
nog een man en moet je hem, of is het een haar?, nu toch eens zien! Mag een premier dit wel doen? En de
vrouw die bij de bouwmarkt komt om een betonmolentje te huren kon misschien
toch wel eens verstand hebben van klussen, want wie weet is ze wel…
Na
een tijdje zou het vanzelf geen zin meer hebben om dan ‘wie weet is ze wel
een man’ te denken. Het zou afgelopen zijn met de gender-tweedeling! Zelfs
een dictator weet op den duur geen raad met zoveel variatie-vrijheid.
Afgelopen
met de gender-tweedeling? Stel dat zelfs de binnenkant van de lijven
mee-varieerde – de mogelijkheid tot baren, de hormoonhuishouding, de
linker- en rechterhersenhelft – zou het dan toch niet zo zijn dat mensen
binnen de kortste keren weer allerlei eigenschappen en rollen gaan koppelen
aan bepaalde fysieke verschijningsvormen?
En ook, dat ze dan haast allemaal weer voor één vaste vorm gaan
kiezen, met op z’n hoogst een weekendvariantje? Met andere woorden: is er
misschien een intrinsieke behoefte in een mens om in te delen waar het maar
mogelijk is?
Identiteit en orde
Kiezen
hoe je lichaam is: het is een sprookje dat de vraag stelt wat nu eigenlijk
essenties zijn van sekse- en genderindeling. En daarachter doemt de vraag
op wat de identiteit van een mens is. Wat zou er overblijven van ons
identiteitsbesef zonder de m/v-indeling? Wat weet je eerder van een baby
dan het geslacht? Ken je iemand als je niet weet of het ‘een man of een
vrouw is’? Is het wel mogelijk om over hem?/haar?
te praten?
In
het boek ‘Identiteit – jeugd en crisis’ van Erikson (1968) is te lezen hoe
een psychiater van vóór het post-moderne tijdperk tegen jongeren aankijkt.
Er heerst seksuele
identiteitsverwarring, want: ’van
sommige jonge mensen die je op straat ziet lopen, kun je zonder onkies
onderzoek niet zeggen of het jongens of meisjes zijn’. Ach, dacht ik meteen: wat zijn ze
inmiddels toch goed terechtgekomen!
Erikson
zegt ook zinnige dingen over identiteit.
Hij blaast bijvoorbeeld een oude omschrijving van karakter nieuw leven in en stelt dat het hier feitelijk over identiteit gaat: ‘een subjectief gevoel van dezelfde
persoon te zijn en van continuïteit, kracht geven’.
‘Dezelfde
persoon zijn’, en ‘continuïteit’: inderdaad, ieder mens heeft behoefte aan
orde en samenhang. Ordeningen hebben we nodig om de buitenwereld te
begrijpen en te definiëren, en datzelfde geldt ook voor onszelf: zonder
ordening zou er geen bewustzijn kunnen bestaan.
Een
klein kind leert aan de hand van de tegenstellingen tussen dag en nacht,
honger en tevredenheid, warm en koud, buiten en binnen, wel en niet, goed
en fout, en mama en papa. Deze tweedelingen zijn wezenlijk voor het
voortbestaan. En hoewel een kind al snel gaat verfijnen, zijn die simpele
ordeningen zó lang nuttig, dat ze een beslissende invloed hebben op onze
manier van denken en ervaren, op onze manier van zijn. We zijn gebaat bij een overzichtelijke orde.
Daarnaast
hebben we het bij het opgroeien nodig om te weten dat wat nu bestaat ook
morgen bestaat. Stel je voor dat we blíjven denken dat pappie weg is als
hij achter een boom gaat staan! Kennis is tevens kennis van zekerheden: het
wiel wordt niet elke dag opnieuw uitgevonden. We zijn gebaat bij een conservatieve orde.
De
orde die we de buitenwereld toekennen, kennen we ook onszelf toe. Het is
niet alleen ondoenlijk je iedere ochtend te vraag te stellen of datgene wat
je ziet ‘echt’ is of ‘hetzelfde als gisteren’, het is even ondoenlijk om je
steeds opnieuw af te vragen ‘wie je bent’.
Eenmaal
volwassen geworden gaat het dan ook gemakkelijker over uiterlijke,
indeelbare zaken, over zichtbare, groepsgerichte tegenstellingen dan over
het unieke, het individuele. Het is eenvoudiger om jezelf te benoemen als
man, moeder, Nederlander, manager of voetbalfan, dan dat je omschrijft wàt
voor moeder, manager of fan je bent. Daar begint een verfijning waardoor je
uitkomt bij heldere omschrijvingen maar tegelijk veel vágere categorieën,
niet te labellen voor jezelf of je omgeving: ‘zorgzaam tegenover mijn
kinderen, echt een denkhoofd als het gaat om.., grof tegenover
mede-weggebruikers maar nooit tegen kassières, een ontzettende sufkop met
geld, gek op de impressionisten met uitzondering van Manet…’ Mensen zeggen dit alles natuurlijk wel
van zichzelf, maar het lijkt vaak wel alsof men deze dingen toch minder als
‘de eigen identiteit’ ervaart dan de eerder genoemde grotere en
ogenschijnlijk heldere categorieën.
Dit
mechanisme vindt op allerlei levensgebieden plaats: zo is het de laatste jaren,
bijvoorbeeld, tot in de politieke top gewoon geworden om over ‘de moslims’
te spreken, die vlug-een-beetje ‘onze’ normen en waarden dienen over te
nemen.
Kortom:
hoewel de mens, zeker in de Westerse wereld, onmogelijk kan overleven met
een onbeweeglijk wereld- en zelfbeeld, is zhij toch geneigd van simpele
categorieën en groepsgerichte uiterlijkheden uit te gaan. En dus blijft de
mens nog steeds gemakkelijk… een kind.
Duidelijkheid en
macht
Terug
naar gender. Het is onmogelijk om in dit bestek alle maatschappelijke
ontwikkelingen de revue te laten passeren die een rol spelen bij de
veranderende gender-opvattingen. Ontwikkelingen die maken dat de duidelijke
rolverdeling tussen man en vrouw van enkele decennia geleden op de schop is
gegaan. Ik wil me hier daarom richten op het effect op het
identiteitsbesef.
Wat
zien we? Er zijn weliswaar veel meer mensen dan vroeger die laten blijken
dat ze niet uit de voeten kunnen met bijvoorbeeld de beperkingen van een
gender-tweedeling, maar dat de rolverdeling veel diffuser is geworden,
weerhoudt vrijwel niemand ervan om er voor zichzelf doodsimpele beelden op
na te houden. Man dan wel
vrouw zijn is zo essentieel dat er duidelijke indelingen móeten zijn.
Als de beelden van vroeger niet meer passen dan maken we nieuwe. Het concept man en het concept vrouw moet koste wat het
kost gevuld worden.
De
afgelopen jaren verzamelde ik in mijn omgeving opvattingen over sekse en
gender. Gezien alle discussie in de media over verwarring bij man en vrouw,
verwachtte ik gestuntel. En ik ging er van uit dat ik genuanceerde
opvattingen zou horen, want mijn omgeving is geëmancipeerd en heeft een
brede kijk op de wereld. Ze komt heus niet aanzetten met huisvrouwen en
stoere mannen. Nu, gestuntel en nuance kwamen meestal pas te voorschijn als
ik echt doorvroeg. Ingebed in een gesprek over andere zaken was men heel
gemakkelijk over de tweedeling. Voorbeelden? ‘Mannen zijn uiteindelijk
jagers.’ ‘In mij komen is een fundamenteel ander gevoel dan in een ander
komen.’ ‘Ja, wij voelen dat’
(over vrouwelijke intuïtie). ‘Mannen kunnen pas wat met hun kinderen als ze
ermee kunnen praten en stoeien.’ ‘Vrouwen zorgen voor de sfeer in huis.’
‘Mannen kunnen beter kaartlezen.’
De
opvattingen waren van dezelfde ‘indelerigheid’ als die van de rubriek over
mannen en vrouwen die jarenlang in het zaterdagse magazine van de Volkskrant te vinden was: vrouwen hangen de wc-rol met de losse kant naar
voren, mannen hangen hem met de losse kant tegen de muur.
Met
een aan wellust grenzende gretigheid worden complexe vragen versimpeld,
spreken mensen over ‘wij’ (wij vrouwen, wij mannen) en dus ook over
‘jullie’, zonder er zelfs maar ‘gemiddeld’ bij te zeggen.
Kortom:
simpele gender-indelingen blijken nog steeds in een grote behoefte te
voorzien. Nog steeds zijn ze kennelijk nodig om greep te hebben op je
omgeving en op jezelf. Duidelijkheid sluit in en sluit uit, geeft macht en
biedt zicht op macht…
Kan het anders?
De
manier van kijken naar de buitenwereld en naar onszelf die we ons ooit
eigen hebben gemaakt is de maat der dingen: velen voelen zich prettig in
zo’n maatpak, zelfs als het soms een beetje knelt. Zonder kleren krijg je
het immers koud en zonder corset gaat het lichaam alle kanten op. Toch
veroorzaakt het tegelijkertijd eenzijdigheid, het versterkt onzelfstandig
denken, het bevordert het oordelen en veroordelen, het houdt gegroeide
(machts-) verhoudingen in stand.
Ingedeeld
zal er altijd worden. En gezien het bestaan van seksen (al kent de natuur
heel veel meer variatie dan menigeen denkt) zal het ook wel niet zonder
gender gaan. Maar we zouden in elk geval een begin kunnen maken met het
fundamenteel betwijfelen van die in de kindertijd zo nuttige vastigheden.
(Zijn mannen wel stoer en vrouwen zorgzaam..?) Verfijning en nuance hoeft
ons toch niet meer noodlottig te worden?
Bij
iedere steen die we – in onszelf of in de samenleving om ons heen – weten
los te wrikken uit het kinderbouwwerk zal er wellicht een klein beetje meer
zicht ontstaan op een werkelijkheid die oneindig is in z’n variatie, en
onbegrijpelijk - mooi, wreed en fantastisch in z’n complexiteit. Zo zou,
met de volwassenwording, de vrije genderkeuze uit het sprookje waarmee dit
betoog begon in elk geval een stúkje dichterbij kunnen komen.
¨¨¨
Een eerdere versie van dit essay verscheen in het voorjaar 2001 in het Continuum – onafhankelijk
digitaal tijdschrift voor genderdiversiteit en transgender (www.continuum.nl
) en werd herzien voor www.hoogtelijnen.nl
|